Naar inhoud
D Didier Willaert

De verandering van de huishoudensstructuur in België sinds het begin van de jaren 90

Statistische en ruimtelijke analyse van de evolutie van het aandeel private huishoudenstypen (LIPRO-typologie) per gemeente, 1992-2026

Inhoudsopgave Toon Verberg

Onderzoeksvraag

Hoe evolueerde de samenstelling van Belgische huishoudens sinds 1992, en welke ruimtelijke typologie van gemeenten vloeit hieruit voort? Deze analyse herleidt een uitgebreide open dataset van Statistics Belgium over de huishoudensstructuur (7 private huishoudenstypen, 565 (fusie)gemeenten, 35 jaar) tot een klein aantal duidelijke patronen.

Context

Die ruimtelijke en temporele patronen weerspiegelen wat demografen de Tweede Demografische Transitie noemen (Lesthaeghe & van de Kaa, 1986). Het huwelijk is niet langer de vanzelfsprekende start van een gezin: het krijgen van kinderen wordt uitgesteld (of blijft uit), relaties zijn vrijblijvender en instabieler, en individuele autonomie weegt zwaarder dan sociale verwachtingen. Dat vertaalt zich in een duidelijke daling van het aantal gehuwde koppels, en een toename van het aantal ongehuwd samenwonenden, éénoudergezinnen en alleenstaanden. Het tempo van deze omslag verschilt per regio, mede door de uiteenlopende mate van secularisering in Vlaanderen en Wallonië (Lesthaeghe & Neels, 2002).

Data & methoden

De analyses werden uitgevoerd aan de hand van de Statbel-dataset “Aantal huishoudens volgens type per gemeente”, met het aantal LIPRO-huishoudenstypen per jaar in de periode 1992-2026 (situatie op 1 januari). De reeks werd geharmoniseerd naar de meest recente gemeentegrenzen (inclusief de fusies van 2025). De gemeente Herstappe werd vanwege het laag aantal inwoners (minder dan 100) niet opgenomen in de analyse.

Gemeenten werden vervolgens gegroepeerd via een k-means-clusteranalyse op basis van de huishoudensstructuur in 1992 en het verloop ervan tot 2026. We opteerden voor vier (i.p.v. drie of vijf) clusters omdat deze een duidelijk afgebakende grootstedelijke groep oplevert, en omdat de regionale samenhang (getoetst met een chi-kwadraattest tussen cluster en gewest) hier het hoogst is. De indeling werd gecheckt met een functionele hoofdcomponentenanalyse (functional PCA), die enkel naar de vorm van het verloop kijkt, los van het beginniveau. De vier clusters blijven daarbij grotendeels overeind, al verschuiven enkele gemeenten naar een andere cluster.

Resultaat

Nationale evolutie

Op nationaal niveau volgen de zeven huishoudenstypen het patroon dat de Tweede Demografische Transitie voorspelt: gehuwde koppels met kinderen daalden het sterkst (van bijna 35% naar ruim 18% van alle private huishoudens), terwijl alleenwonenden en ongehuwde koppels met en zonder kinderen sterk toenamen. Alleenstaande ouders en de categorie “andere” bewegen in dezelfde richting, maar veel gematigder. Zie figuur hieronder.

Clusteranalyse per gemeente

De clusteranalyse levert ruimtelijk vier typen gemeenten op (zie ook kaart hieronder):

Cluster Aantal Typering
0 239 overwegend Vlaamse gemeenten
1 138 overwegend Waalse landelijke gemeenten
2 24 19 Brusselse gemeenten en 5 andere (groot)steden
3 163 verschillende gemeenten van het oude industriële Waalse bekken, randgemeenten (rond Brussel en Antwerpen) en regionale of kleinere steden

Aandeel van de huishoudenstypen (in %, situatie op 1/1/1992 en 1/1/2026) per cluster (gewogen gemiddelde naar bevolking per gemeente):

Cluster A B C D E F G
0 20,0 → 31,6 25,2 → 23,5 44,0 → 20,0 1,7 → 6,8 1,1 → 8,3 6,5 → 8,2 1,4 → 1,6
1 24,5 → 32,3 22,3 → 18,4 38,5 → 18,7 2,0 → 7,4 1,9 → 11,3 8,3 → 10,3 2,5 → 1,6
2 47,8 → 45,5 18,4 → 10,4 21,4 → 17,0 1,7 → 6,6 1,2 → 5,7 8,4 → 10,6 1,2 → 4,2
3 28,7 → 37,2 22,6 → 16,2 34,1 → 17,3 2,3 → 6,4 2,0 → 9,1 8,8 → 11,8 1,4 → 2,1

A: alleenwonenden - B: gehuwde koppels zonder kind - C gehuwde koppels met kind(eren) - D: niet-gehuwde koppels zonder kind - E: niet-gehuwde koppels met kind(eren) - F: éénoudergezinnen - G: andere private huishoudens

Cluster 2 met Brussel en andere (groot)steden springt eruit met het hoogste aandeel alleenwonenden en “andere private huishoudens”, het laagste aandeel gehuwde koppels, een daling van het aandeel alleenwonenden tussen 1992 en 2026, en een beperkte toename van de niet-gehuwde koppels zonder kind. Cluster 1 (met vooral Waalse gemeenten) combineert een merkbaar lager aandeel gehuwde koppels met een iets hoger aandeel ongehuwd samenwonende koppels en éénoudergezinnen dan cluster 0 (vooral Vlaamse gemeenten). Cluster 3 heeft van de vier clusters het hoogste aandeel éénoudergezinnen. Voor de overige huishoudtypes liggen de percentages van cluster 3 meestal tussen die van cluster 2 en die van de clusters 0 en 1.

Mogelijke toepassingen

Deze analyse laat zien hoe huishoudensvormen per gemeente veranderen en welke gemeenten vergelijkbare trajecten volgen. Dat kan helpen om lokale ontwikkelingen rond wonen, zorg en voorzieningen beter te duiden. Hebt u een vergelijkbare vraag voor uw gemeente of provincie, sociale huisvestingsmaatschappij, organisatie of bedrijf? Ik denk graag mee over een passende analyse.

Neem contact op

Bron

Statbel: CC BY 4.0. Eigen bewerking.

Bibliografie

  • Lesthaeghe, R. & D. J. van de Kaa (1986), Twee demografische transities? In Van de Kaa, D. J. & R. Lesthaeghe (Red.), Bevolking: groei en krimp, Van Loghum Slaterus, pp. 9-24
  • Lesthaeghe, R. & K. Neels (2002), From the first to the second demographic transition: an interpretation of the spatial continuity of demographic innovation in France, Belgium and Switzerland, European Journal of Population, 18(4), pp. 325-360, doi:10.1023/A:1021125800070
Samenwerken

Heb je een onderzoeksvraag?

Ik help je graag verder.